17 augustus 2018

Wie draagt de kosten voor onderhoud van noodverlichting?

Voor huurders en verhuurders is het vaak niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor de kosten van onderhoud van noodverlichting. Omdat hier onduidelijkheid over is wordt soms helemaal geen onderhoud aan de noodverlichting uitgevoerd. Dit kan leiden tot onveilige situaties en het niet voldoen aan de wettelijke eisen.

Wie is verantwoordelijk?

Een gebouweigenaar, of de verhuurder, is volgens het voormalig Bouwbesluit verantwoordelijk voor een goed functionerende noodverlichtingsinstallatie. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (2024) wordt de verantwoordelijkheid nog iets sterker vastgelegd om te voorkomen dat eigenaar en verhuurder naar elkaar gaan wijzen: De eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk draagt er zorg voor dat… etc.
De huurder is vanuit de Arbowet dan weer verantwoordelijk voor haar personeel. De Arbowet stelt een aantal aanvullende eisen aan noodverlichting ten opzichte van het Bouwbesluit. Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan het toepassen van vluchtwegaanduiding voor alle vluchtwegen.

kosten voor onderhoud van noodverlichting
BouwbesluitArbowet
Kijkt naar de gebruiksfuncties van het gebouwKijkt naar de veiligheid van de gebruikers van het gebouw
De eigenaar is verantwoordelijkDe werkgever is verantwoordelijk
De controlerende instantie is de gemeente (uitvoerend orgaan: veiligheidsregio/brandweer)De controlerende instantie is Inspectie SZW (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

Wie betaalt de kosten?

Wie de kosten betaalt voor onderhoud is vaak onduidelijk omdat dit niet of niet goed in de huurovereenkomst is vastgelegd. Wij adviseren dan ook goed te documenteren wie de controle (inspectie) uitvoert, wie het onderhoud coördineert en wie wat betaalt.

Hoe dan ook, discussies over verantwoordelijkheid en kosten mogen nooit in de weg staan van de veiligheid van de gebruikers van een gebouw. Om hier invulling aan te geven is het slim om gebruik te maken van de norm NEN-EN 1838. Hierin is namelijk afgesproken dat de NEN-EN 1838 ‘adequate noodverlichting’ beschrijft.

In de tabel hiernaast vind je terug wat er in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vastgelegd is en wat er in de Arbowet staat over wie verantwoordelijk is voor onderhoud van noodverlichting en wie de controles uitvoert.

Altijd op de hoogte van ons laatste nieuws?

Meld je snel aan voor de nieuwsbrief

Medewerker Kenniscentrum Noodverlichting
Heb je een vraag over dit onderwerp?
Neem direct contact met ons op

Deel dit nieuws:

Meer nieuws

Nieuwe cursusnamen van het Kenniscentrum Noodverlichting

De nieuwe cursusnamen van het Kenniscentrum Noodverlichting

Vanaf 1 januari 2025 veranderen de namen van onze cursussen. De inhoud blijft hetzelfde! Lees er hier meer over.
Kerstquiz 2024

(Gesloten) De Kenniscentrum Noodverlichting kerstrebus

Doe mee aan onze kerstactie en maak kans op een leuke en lekkere prijs.
Inhoud noodverlichtingscursus

Nieuwe driedaagse noodverlichtingscursus

Nu bij het Kenniscentrum Noodverlichting: De driedaagse noodverlichtingscursus. Wordt een échte noodverlichtingsspecialist.

Wij staan voor je klaar

Heb je een vraag over noodverlichting in het algemeen of één van onze cursussen? Neem dan contact op met onze klantenservice, we helpen je graag verder.

Daarnaast kun je in onze kennisbank, bij onze gratis webinars en in de gratis te downloaden handige ondersteuningsdocumenten ook veel informatie over noodverlichting terugvinden.

Veelgestelde vragen

De verantwoordelijkheid voor noodverlichting hangt af van de functie van het gebouw en de gebruikssituatie. In woongebouwen met een woonfunctie is noodverlichting in principe niet verplicht volgens het Bbl, en ligt de verantwoordelijkheid meestal bij de eigenaar of VvE voor gemeenschappelijke ruimtes. In werk- of publieksgebouwen, zoals kantoren of winkels, kan de verantwoordelijkheid volgens het Arbobesluit bij de huurder liggen, omdat deze moet zorgen voor veilige en verlichte vluchtwegen voor personeel en bezoekers. Wanneer de ruimte als kantoor of werkplek wordt verhuurd, kan de verantwoordelijkheid ook bij de verhuurder liggen, afhankelijk van de afspraken. De verplichting vloeit altijd voort uit de zorgplicht voor adequaat onderhoud zoals beschreven in het Bbl en het Arbobesluit.

De kosten voor het installeren van noodverlichting variëren sterk en zijn afhankelijk van factoren zoals het type armaturen, het aantal benodigde armaturen, de complexiteit van het gebouw, en de aanwezigheid van bestaande elektrische groepen. Voor een standaard installatie in een kantoor of winkel liggen de kosten meestal tussen de €50 en €250 per armatuur, inclusief montage en aansluiting door een bevoegde installateur. Voor grotere of complexere installaties, bijvoorbeeld met decentrale voedingen of speciale pictogrammen, kunnen de kosten hoger liggen. Daarnaast kunnen installatiekosten worden beïnvloed door bijkomende werkzaamheden, zoals kabeltracés, extra schakelingen of aanpassingen van bestaande groepen.

De kosten van noodverlichting hangen af van verschillende factoren, zoals het type armaturen, het aantal armaturen, de complexiteit van het gebouw en de aanwezigheid van bestaande elektrische groepen. Ook de keuze voor decentrale voedingen, speciale pictogrammen of extra kabelwerk kan de kosten beïnvloeden. Daarnaast spelen installatie door een bevoegde installateur en eventuele bijkomende aanpassingen aan het elektrische systeem een rol. Het is daarom lastig om een vaste prijs te noemen; de uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van de specifieke situatie en wensen.

De kosten van het onderhoud van noodverlichting zijn afhankelijk van factoren zoals het aantal armaturen, de complexiteit van het systeem, en of er gebruik wordt gemaakt van decentrale voedingen of speciale pictogrammen. Het onderhoud omvat onder andere visuele controles, functietests en duurtests, die altijd moeten worden uitgevoerd door bevoegde en opgeleide personen, zoals gecertificeerde installateurs, volgens de NEN-EN 50172, NEN-EN 1838 en de instructies van de fabrikant. Door deze vereisten kan het onderhoud verschillen per gebouw en installatie, waardoor de kosten variabel zijn en afgestemd moeten worden op de specifieke situatie.

De verantwoordelijkheid voor noodverlichting hangt af van de functie van het gebouw en de rol van de betrokken partijen. In woongebouwen met een woonfunctie is noodverlichting meestal niet verplicht volgens het Bbl, en ligt de verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke ruimtes bij de eigenaar of VvE. In werk- of publieksgebouwen kan de verantwoordelijkheid volgens het Arbobesluit bij de huurder liggen, omdat deze moet zorgen voor veilige en verlichte vluchtwegen voor personeel en bezoekers. Als een ruimte als kantoor of werkplek wordt verhuurd, kan de verantwoordelijkheid ook bij de verhuurder liggen. In alle gevallen vloeit de verplichting voort uit de zorgplicht voor adequaat onderhoud zoals beschreven in het Bbl en het Arbobesluit.

Juridisch is de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van noodverlichting afhankelijk van de functie van de ruimte en de afspraken tussen partijen. In woongebouwen met een woonfunctie ligt deze verantwoordelijkheid bij de eigenaar of VvE, vooral voor gemeenschappelijke vluchtwegen. In werk- of publieksgebouwen kan de huurder juridisch verantwoordelijk zijn volgens het Arbobesluit, omdat hij moet zorgen voor veilige en verlichte vluchtwegen voor personeel en bezoekers. Wanneer de ruimte als kantoor of werkplek wordt verhuurd, kan de verantwoordelijkheid ook bij de verhuurder liggen, afhankelijk van de contractuele afspraken. In alle gevallen is het onderhoud onderdeel van de zorgplicht voor adequaat onderhoud zoals voorgeschreven in het Bbl en het Arbobesluit.

In veel situaties delen meerdere partijen de kosten van noodverlichting. In woongebouwen met gemeenschappelijke ruimtes bijvoorbeeld, kan de VvE de kosten verdelen over de eigenaren. In huur- of werkgebouwen kunnen afspraken in het huurcontract bepalen of de huurder, verhuurder of beide verantwoordelijk zijn voor installatie en onderhoud. De verdeling van kosten hangt altijd af van de contractuele afspraken en de functie van de ruimte, maar de onderliggende verplichting vloeit voort uit de zorgplicht voor adequaat onderhoud zoals vastgelegd in het Bbl en het Arbobesluit.

Als een partij weigert mee te betalen voor noodverlichting, kan dit leiden tot contractuele of juridische geschillen, afhankelijk van de afspraken in het huurcontract, de VvE-regels of andere overeenkomsten. De wettelijke verplichting voor adequaat onderhoud blijft echter bestaan volgens het Bbl en het Arbobesluit, wat betekent dat de verantwoordelijke partij of partijen het onderhoud en de werking van de noodverlichting moeten waarborgen, ongeacht betalingsproblemen. In de praktijk kan dit betekenen dat de andere betrokken partijen of de eigenaar maatregelen moeten nemen om te zorgen dat de verlichting blijft functioneren en de vluchtwegen veilig blijven.

Voor het onderhoud van noodverlichting bestaan er verschillende contractvormen en service-overeenkomsten die specifiek gericht zijn op periodiek beheer en onderhoud. Deze overeenkomsten worden meestal afgesloten met een specialistisch onderhoudsbedrijf en regelen zaken zoals visuele inspecties, functietests, duurtests, vervanging van defecte armaturen en het vastleggen van de resultaten in een inspectierapport volgens NEN‑EN 50172, NEN‑EN 1838 en de ISSO 79. Alle werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door bevoegde en opgeleide personen, zodat de noodverlichting betrouwbaar blijft functioneren. Door een service-overeenkomst wordt duidelijk vastgelegd wie verantwoordelijk is voor adequaat onderhoud, waardoor wordt voldaan aan de zorgplicht vanuit het Bbl en het Arbobesluit.

Als de noodverlichting niet werkt, moet dit direct gemeld worden bij de verantwoordelijke beheerder (eigenaar, VvE of huurder), en moet het defect zo snel mogelijk worden hersteld door een bevoegde en opgeleide persoon, volgens de fabrikantinstructies, NEN‑1010, NEN‑EN 50172, NEN‑EN 1838 en de ISSO 79. Zo blijft de verlichting betrouwbaar functioneren en wordt voldaan aan de zorgplicht voor adequaat onderhoud uit het Bbl en het Arbobesluit.